donderdag 18 december 2008

De verschoppelingen (fragment)

Mijn eerste poging om meerdere personages bij elkaar te zetten; eerder had ik altijd twee, hooguit drie lieden bij elkaar in gesprek; nu een hele meute (circa 15, waarvan een paar op de voorgrond en de rest natuurlijk als kanonnenvoer...)


‘Dit is niet mijn strijd.’ De halfbloed Ylcar schudde zijn hoofd. Eerder zouden zijn lange donkere haren, ingevlochten met kralen, zijn gelaat hebben gegeseld, maar sinds gisteravond, na een verloren weddenschap, was zijn hoofd kaal. Kleine schrammen, waar het botte scheermes zijn haar had weggesneden, ontsierden zijn hoofd. ‘Wat jullie doen, moeten jullie weten. Ik ga.’
‘Voor een barbaar laat je de kans op een gevecht wel erg snel liggen,’ bromde Friskin ‘Frisk’ di Magiore, de Ygriaanse huurling. Hij staarde naar de mistflarden tussen de bomen, enkele steenworpen verderop, waar de vijand zat. ‘Jammer.’
‘Zeker jammer,’ stelde de dwerg Geitwinst. ‘Zowaar ik een afstammeling ben van de Grote Gaitwin… ook ik stel voor dat we blijven en onze bijlen de hoofden van die bende laten klieven.’ Om zijn woorden kracht bij te zetten, hief hij zijn tweezijdige bijl en gromde.
‘Mijn schoonmoeder maakt nog meer indruk,’ sprak Frisk verveeld.
‘Schoonmoeders, bijlen… het zal me wat,’ ging Ylcar verder terwijl hij even zijn kale schedel beroerde. ‘Ik neem hier achter wel plaats en wacht wel tot jullie klaar zijn met strijden.’ Hij wees naar de metgezellen achter hen; een vreemde groep verschoppelingen van diverse pluimage die wel erg lang stond te dralen bij de paarden. ‘Ik ga wel bij hun zitten en een kaartje leggen.’
‘Denk je nu nog steeds dat die tweeling ook maar iets met je zou willen beginnen, Ylcar?’ Huurling Frisk lachte gemaakt.
‘In dat geval verlies je binnenkort veel meer dan je haar,’ wist de dwerg.
‘Ja, je ballen,’ meende Frisk.
‘Tja,’ repliceerde Ylcar met een grijns. ‘Is dat zo erg, dan, messieur Di Magiore?’
De dwerg grinnikte nu ook.
‘Wat bedoel je?’ snauwde de aangesproken huurling. ‘Wil je insinueren dat ik…’
‘Ja, hij bedoelt dat jij ook geen ballen hebt,’ grapte de dwerg. ‘Hersens ook niet, maar dat is weer een ander verhaal.’
‘Bemoei je er niet mee,’ brieste de Ygriaan die eerder had beweerd dat hij, voordat hij huurling was geworden, een edelman van groot aanzien was geweest.
‘Of wat?’ wilde de dwerg weten en keerde zich met toegeknepen ogen naar de lange man alsof hij hem nu erg scherp opnam.
‘Of ik pak je bijl en hak nog eens een el van je onderbenen af.’
‘Is dat alles?’ wilde de dwerg weten. ‘Da’s makkelijk.’
‘Voor wat?’ Ylcar was blijven staan en keek grinnikend om. ‘Om nog makkelijker een konijnenhol in te duiken als de strijd zich verhevigt?’
Frisk hoonlachte.
Ylcar bulderde.
De dwerg stak zijn tong uit en maakte er suggestief likkende bewegingen mee. ‘Om die tweelingen te laten komen, mijn goede vriend. Iets wat jij nooit voor elkaar kunt krijgen.’
Frisk loeide om de grap van Geitwinst.
‘Ik heb daar ander gereedschap voor, makker,’ bitste Ylcar. ‘Gereedschap dat jij blijkbaar al lang bent kwijt…’
‘Heren!’
De drie keerden zich naar de Slydonische vrouwe die was komen aanlopen.
‘Doe je bek dicht, dwerg. Je kwijlt,’ riep ze, maar haar ogen twinkelden en weerspraken ieder boos woord dat van haar lippen rolde.
‘Wat is er, schone vrouwe?’ Ylcar maakte een overdreven buiging.
‘Doe geen moeite, halfbloed. Ik moet je niet.’
‘En haar zus moet je ook niet,’ bracht de dwerg de nu kale barbaar in herinnering.
‘Mijn spiegelbeeld is niet zo kieskeurig,’ grapte de vrouw, waarvan de mannen inmiddels wisten dat het Iris moest zijn. En dat alleen maar omdat ze laatdunkend over haar zus sprak, want in alles was ze verder als twee druppels water Diti, de andere helft van de tweeling; ‘mijn spiegelbeeld’ zoals de dames elkaar altijd noemden.
‘Wat Ylcar graag wil weten… als hij je spiegelbeeld te pakken neemt, is of er dan ook een tweede ‘hij’ is die jou tegelijkertijd een beurt geeft?’
De mannen lachten om de grap van de dwerg. Geitwinst lachte zelf niet minder hard, maar staakte dit gebalk als van een ezel abrupt toen Iris hem een vermanende blik toewierp.
‘Wat?’ wilde de kleine gedrongen man weten.
‘Ik wilde alleen maar even vertellen dat ze komen!’ Ze wees naar een plek achter de mannen.
‘Je hebt ons afgeleid,’ merkte Ylcar brommend op. Met een scherp geluid trok hij zijn zwaard uit de schede en posteerde zich naast de dwerg.
‘Ik dacht dat dit je strijd niet was?’
Ylcar gromde en voelde even aan zijn hals, alsof er iets te strak om zijn keel zat. ‘We zijn met elkaar verbonden, kleine man.’ De classificatie was eerder een eretitel, dan een waardeoordeel. ‘Een verbintenis tot de dood ons scheidt, weet je nog?’ Hij knipoogde even.
Iris kwam naast Ylcar staan en glimlachte naar hem. ‘Heb je echt je haar eraf gehaald vanwege die stomme weddenschap?’ Ze schudde meewarig haar hoofd, lispelde iets dat klonk als ‘mannen’ en richtte haar scherpe blik op de door mist gevangen bosschages aan de andere zijde van het drassige land. ‘Volgens mijn spiegelbeeld zitten ze in de struiken, wachtend op het goede moment.’
‘Hebben ze boogschutters?’ wilde Frisk weten.
‘Voor zover mijn spiegelbeeld heeft kunnen zien, niet.’
De mannen wisten dat Diti de beste ogen van hen allemaal had; scherper dan die van een arend, zo hadden ze herhaaldelijk waarderend uitgesproken.
‘In dat geval…’ Frisk trok zijn sabel en slaakte een ijzingwekkende kreet. Meteen daarop rende hij naar voren. ‘Ik jaag ze de struiken wel even uit. Maken jullie ze af?’ Met grote stappen plofte hij met zijn sandalen in de modderige grond. ‘Yiehaaa!’
Vogels schrokken op en klapwiekten weg van de bomen.
Meteen daarop heerste er ineens volkomen stilte.
De grijswitte mist leek zich even uiteen te rekken en hetgeen zich daar ontwaarde, deed de verschoppelingen een moment naar adem snakken. Hadden ze het goed gezien? Hadden die kleine monsters een Grus bij zich?
Diti, de tweelingzus van Iris, was aan komen rennen en gilde in paniek de naam van de Ygriaanse huurling; een waarschuwing, amper op tijd om hem te redden.
Vanuit het struikgewas weerklonk angstwekkend gekrijs. Toen trokken kleine gedaanten zich los uit de wit-grijze mist. Projectielen zeilden zingend door de lucht.
‘Bij Yg!’ brulde Frisk en keek angstig om zich heen. Hij voelde hoe zijn sandalen zich vastzogen in de modder. Hij zwaaide wild met zijn armen, verloor zijn evenwicht en klapte languit voorover. Het was zijn redding. Drie pijlen boorden zich met een luide plof in de grond achter zijn lichaam. Ze zouden een stekelvarken van hem hebben gemaakt als hij was blijven staan.
‘Toch boogschutters,’ gromde Ylcar, die leek te overwegen om naar Frisk toe te rennen.
De met modder besmeurde Frisk klauterde overeind en grabbelde naar zijn sabel, die enkele meters verderop met de punt in de grond was gevallen.
‘Verdomde etters,’ brulde hij, terwijl hij even naar de drie pijlen achter hem in de modder staarde. ‘Kom hier en vecht als kerels, niet als lafaards!’
Met een verbeten trek griste hij zijn sabel, hief hem op en slaakte opnieuw zijn strijdkreet.
Vanuit het bos brulde nu ook de Grus. Het deed de twee angsthazen, achtergebleven bij de paarden van de verschoppelingen huiveren.
‘We kunnen ze niet ontlopen?’ informeerde Mordagier, de magere Hastyri, toen hij bij de voorhoede was aangekomen. De man was daarmee aanmerkelijk eerder bij zijn vooruitgelopen groepsgenoten. De rest, die zich met bijster weinig enthousiasme naar het aanstaande strijdtoneel begaf, leek nog volop last te hebben van de overvloedige drank van de avond daarvoor. 'We kunnen er toch ook voor kiezen de strijd niet aan te gaan?' opperde de voormalige legerarts.
Ylcar schudde zijn hoofd. ‘Dacht ik ook.’ Hij schamperlachte en deed enkele passen naar voren. ‘Maar vroeg of laat moeten we toch de confrontatie aangaan.’
‘Graag later, als ik het voor het zeggen heb.’ De enige dwerg van het gezelschap zuchtte. ‘Na het eten, of zo.’
Achter hem klonk gemor van de anderen.
‘Kom, spiegelbeeld,’ riep Diti en stak haar zwaard in de lucht. ‘We gaan bloed vergieten!’
Iris rechtte haar rug, trok haar tweezijdige zwaard en knikte. ‘Je hebt gezien dat ze een Grus hebben?’
Nog voordat haar zus antwoord kon geven, knapte de bomenrij, het drassige land flankerend, als kleine houtjes uiteen. Een grote harige trol, kromme rug, driemaal zo hoog als het struikgewas en zeker viermaal zo hoog als een gemiddelde mens en armen als trekpaarden zo dik, banjerde naar voren.
Nu de ochtendmist langzaam optrok, werden ook andere gedaanten zichtbaar.
‘Dus dat zijn kobolds?’
‘Dat zijn geen kobolds, lief spiegelbeeldje van Iris,’ sprak Ylcar zalvend en terechtwijzend tegelijk. ‘Dat zijn Ingurai.’
‘Als jij het zegt, kale neet?’ Diti knipoogde naar hem. ‘Ik vond je mooier met je lange haar, trouwens. Nu wil ik zeker niet meer met je van bil.’
De dwerg lachte balkend. ‘En hij vond jou ongetwijfeld stukken liever toen je je mond hield en nog gewoon aan zijn pik zoog.’
Hij zou een ferme tik hebben gekregen als er niet opnieuw een salvo pijlen door de lucht kwam suizen en ze dus allemaal iets terugweken.
De pijlen ploften gevaarlijk dicht voor de groep in de modder. Meteen daarop renden de Ingurai luid gillend het bos uit. Het was alsof de hel zijn meest afzichtelijke monsters uitbraakte.

(C) Alex de Jong/Brad Winning

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen